Tussen de overdaad aan zomerfestivals door maakt het Patronaat handig gebruik van de rondtoerende artiesten en bands. Zo passeren tijdens deze zomerperiode in één week tijd vier topacts op het gebied post-rock en post-metal: Mogwai, Neurosis, 65daysof static en ….And You Will Know Us By The Trail Of Dead. Deze bands hebben als overeenkomst dat ze op bepaalde momenten een muur van geluid kunnen neerzetten. De uitgangspunten, uitstraling en muzikale resultaten zijn alleen totaal verschillend. Het siert het Patronaat dat ze ondanks het zomerreces de regio trakteren op dit brede scala aan bands.
Het Vlaamse Amen Ra moet het publiek warm maken voor het hoofdprogramma. Het past uitstekend binnen de hokjesgeest. Alleen blijft Amen Ra hangen in het “van dik hout zaagt men planken”. Bij aanvang van de nummers is enige spanning te ervaren, daarna wordt in het vervolg elk avontuur vermeden. Tijdens het openingsnummer geven de subtiele tempowisselingen dat kleine stukje extra. Maar verder is de presentatie sober, introvert (muzikanten en zanger staan meestentijds met de rug naar publiek) en zijn de gitaarmuren voorspelbaar en standaard. Bij de doom-metal invulling van Amen Ra zijn hokjesgeesten dodelijk voor het creëren van eigenzinnige muziek. Hetgeen trouwens geldt voor ieder willekeurig muziekgenre.
Van een geheel ander kaliber zijn de verrichtingen van Neurosis. Vooral is het de grote variatie in tempo, sfeerwisselingen en uitstraling waarin de band uitblinkt. Zo is de muziek moeilijk in het juiste hokje te plaatsen. De één ervaart het als post-metal de ander als punk-metal en weer een ander als doom-metal. Welk etiket je er opplakt doet er eigenlijk niet toe. Neurosis is intens en gedoseerd loeihard. Ik kies (ben uiteindelijk de recensent) bij deze voor de term tribal-metal. Waar de band echter ook in uitblinkt is de agressieve houding naar publiek. Zo ligt de staalbewerking voor henzelf en de fans zwaar op de maag. We kennen allemaal de scheidsrechters die een wedstrijd totaal dood kunnen fluiten. Zo ook bij het optreden van dit Amerikaanse vijftal. Vanuit de overtuiging van hun vakkundigheid hebben ze de pretentie te kunnen sollen met het publiek. Publiekseigendommen die voor op het podium liggen worden de zaal ingetrapt, het publiek wordt bespuugd en bij de eerste beste flash van een camera springt Neurosis en aanhang uit de metalen huid. Ze doen daarmee hun naam eer aan, maar het tast wel de intimiteit en intensiteit van het zaalgebeuren aan.
Zo, daar sta je dan even later. Vrij snel aanleunend tegen een muur van geluid. Wat voor publiek komt daar op af? Veel alternatieve muurklevers, die ieder afzonderlijk voor zich uitstarend proberen de “wall of sound” te slechten. Logisch, Mogwai is en blijft een band met goed te volgen gitaarriffs en snarenloopjes. Alle vijf muzikanten zijn meesters in het langzaam opvoeren van het volume en het spelen met dynamiek. Plots doemt er uit het stroboscopische licht een strontvlieg op. Het beest neemt plaats op de slagplaat van gitarist Stuart Braithwaite. Hebben we hier te maken met ouwe “rockshit”? De aanwezige Schotten compleet met rok en rode tong tatoeages, pal naast mij, blijken ook al uit het stenen (Stones) tijdperk te komen.
Hmmm, allemaal factoren die de beleving op scherp zetten. Natuurlijk laat ik de gitaarmuren op mij inwerken. En het moet gezegd, de zaalmix is dusdanig schoon, dat het enorme volume mijn gehoorgangen weinig schade berokkend. Bij stevige stukken als “Batcat” van hun laatste CD “The Hawk Is Howling” en het oerstuk “Satan” van hun allereerste album “Young Team” krijg je toch best weer euforische gevoelens. Ach ja, een kwestie van je midlifecrisis gevoelens de vrije loop laten, om daarna genoeglijk bevredigd de warme zomernacht in te fietsen en thuis te komen, alwaar de familie inmiddels rustig slaapt, zodat je nog even in de huiskamer stiekem luchtgitaar kan spelen.
Toch wordt ons geen inzakkertje gegund, want Akron/Family wordt gevolgd door Group Doueh. Natuurlijk zijn de Sahrawi ritmestructuren en melodielijnen uit de West Sahara gebieden ons bekend. Maar de Mauritanische Group Doueh overschrijdt deze stijlelementen op wonderbaarlijke wijze. De muziek is hard en confronterend. De ritmebox van het Yamaha keyboard wordt extreem opgestuwd en is naar voren gemixt. Daarbij staat het gitaargeluid van opperhoofd en gitaarvirtuoos Doueh in een snerpende overdrive. De kolkende samenzang van de met een brede glimlach uitgeruste zanger en de wiegende zangeres slepen je mee naar gebieden met eindeloze vlakten en gierende zandstormen. Ze weten niet van ophouden, terwijl we de kleine uurtjes al ras beginnen te naderen. Tijdens de afsluitende climax wordt het ons duidelijk. Doueh wil graag zijn Hendrix act, al dansend met gitaar achter het hoofd, aan ons tonen. Nu zijn we helemaal bekeerd. Al handen schuddend verlaat Group Doueh het podium.
Als dan uiteindelijk na veel Arabisch gedoe en geschreeuw Omar Souleyman zelf het podium betreedt gaat het dak van Fiddlers af. Direct, confronterend en dynamisch. We staan plots op een hardcore dansfeest. Ondertussen smijt Omar met zijn handgebaren zijn vet echoënde teksten de zaal in. Het publiek stuitert over elkaar heen tot in de heel late uurtjes. Waarna als afsluiting Omar zijn publiek, met behulp van een vrouwelijke tolk, een interview afneemt. Met uiteraard als tegenvraag uit het publiek. “Omar, please, play another one!”. 
Na het uitbuiken betreedt Apricot My Lady het podium van Het Havenkwartier. Adam Bohman neemt plaats achter zijn tafel met objecten, zijn broer Jonathan “master of ceremony” houdt zich ditmaal bezig met tekstvoordrachten, Lukas Simonis bewerkt zijn gitaar en Anne La Berge filtert en samplet haar fluitspel. De CD “Newly Refurbished and Tussock Moth” is een voornamelijk instrumentale luisterervaring. De performance van vanavond is een voorstelling, waarbij de alledaagse teksten van Jonathan Bohman een typisch Engels accent geven aan het geheel. Beide Bohman brothers, droge humor en platte muziek roepen herinneringen op aan de grensverleggende kunstwerkjes van Gilbert & George. Is dit de objectivistische vorm van outtisme? Een nieuw Fluxus werk? Het is in ieder geval een gebeuren dat je “live” moet ervaren. Het stuk “Love, Hate and never Heard” laat eerst precies één minuut muziek horen waar Apricot My Lady gek op is, daarna volgt een minuut gehate muziek en tot slot wordt een minuut muziek gespeeld, die nog nooit door iemand is gehoord. Ook bij een stuk als “Concerto for Several Things” wordt je op het verkeerde been gezet, als Jonathan Bohman zichzelf nog maar eens een goede scheerbeurt geeft. Het zijn juist die alledaagse elementen en objecten, die concerten als deze totaal (on)grijpbaar en avontuurlijk maken. Dan is ieder “event” een kunstwerk op zich en ontstijgt het menige voorgebakken “impro-battle”, zoals we die tegen komen in het free-jazz circuit.




